ByPixabay

Zorg
Lettertypes/grootte

De afgelopen decennia slaagden grootbanken, financiële fondsen en private monopolies in de farmaceutische industrie en de digitale sector erin om zich voor te stellen als dé absolute gangmakers van welvaartscreatie. Het gevolg van die strikt economische definitie van waarde is de onderwaardering voor beroepen die voor het functioneren van de samenleving nochtans onontbeerlijk zijn.

We denken dan bijvoorbeeld aan de verzorgende, verbindende en opvoedende functies en taken die op dagelijkse wijze binnen kinderdagverblijven worden uitgevoerd door kinderbegeleiders. Zonder kinderopvang kunnen mensen hun arbeidskracht natuurlijk niet of heel moeizaam aanbieden op de arbeidsmarkt. Het bedrijfsleven verwacht dus wel dat de samenleving voorziet in kinderopvang, zolang het maar niet te veel kost aan ‘de economie’ (lees, de bedrijven die liever minder belastingen willen betalen). Het is de reden waarom er in de jaren tachtig vooral sterk werd ingezet op het scheppen van plaatsen bij onderbetaalde onthaalouders. Het is ook de achterliggende reden voor de historische blunder om de ratio in 2014 op te trekken naar 9 kinderen per begeleider. Het opdrijven van de werkdruk was de goedkoopste manier om een kinderopvang met extra plaatsen te organiseren.

Het plan van VOKA en de Vlaamse regering

Het is die visie van ‘meer met minder’ die ons uiteindelijk gebracht heeft in de huidige crisis. Er is vandaag een punt bereikt dat ook werkgeversorganisaties inzien dat een inhaalbeweging nodig is. Liefst onder controle van het Vlaams bedrijfsleven, weliswaar. VOKA1 heeft immers een plan op tafel gelegd dat neerkomt op publiek-private “samenwerking” (PPS). Voor de creatie van extra kinderopvangplaatsen op de bedrijfssite, op bedrijventerreinen en in bestaande kinderdagverblijven zou de overheid voorzien in de trap 1 basissubsidie die vanaf januari 2024 opgetrokken wordt naar 3.000 € per plaats. De werkgever past vervolgens een bedrag bij tot op het punt dat het niveau van een trap 2 subsidie wordt bereikt. Sommige kapitaalkrachtige en winstgevende bedrijven zullen op een relatief goedkope manier een bedrijfscrèche kunnen realiseren. Op kosten van de belastingbetaler. Bedrijven die investeren in een bedrijfscrèche kunnen vandaag al 8.760 euro per opvangplaats fiscaal aftrekken.

Het plan van VOKA is opgenomen in de septemberverklaring van de Vlaamse regering waarover we reeds schreven. Ondertussen zijn er nieuwe stappen gezet. Vlaams Minister van Gezin Hilde Crevits (CD&V) en minister van Werk Jo Brouns (CD&V) kondigden eind november aan dat er vijf proefprojecten zullen komen om de publiek-private financiering van nieuwe kinderopvangplaatsen uit te testen. De aankondiging zal net zoals de septemberverklaring de nodige aandacht gekregen hebben vanuit Bois-Colombes in Frankrijk. Daar is het hoofdkwartier van de dienstenmultinational Babilou gevestigd dat in verschillende landen kinderdagverblijven uitbaat.

De commercialisering van de kinderopvang

Ook in België is het bedrijf aan een opmars bezig. In de huidige schaarste van het aanbod aan plaatsen zien ze opportuniteiten om zichzelf incontournable te maken. Het bedrijf legt zich sterk toe op de uitbouw van bedrijfscrèches en zet daarbij de federale fiscale aftrek voor bedrijven sterk in de verf. De geplande verhoging van de basissubsidie in trap 1 komt ook hun bedrijfsmodel ten goede. Door de gegarandeerde inkomensstroom is het vanuit een winstoogpunt zeer aantrekkelijk (want weinig risicovol) om de kinderopvang commercieel uit te baten.

In een commercieel model van kinderopvang willen bedrijven winst maken. Door de interpersoonlijke aard van het werk is het echter moeilijk om efficiëntiewinsten te realiseren. Hoe dan alsnog winst maken? Door te werken met laag gekwalificeerde, slecht betaalde werknemers die voor zoveel mogelijk kinderen moeten zorgen. Het personeel is kortom een kostenpost waarop men zoveel als mogelijk wil besparen. Het ondergraaft de kwaliteit van de dienstverlening en vormt een bedreiging voor de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van onze kinderen. Het is geen geheim dat de Vlaamse meerderheidspartijen een onverzadigbare privatiseringshonger vertonen. Je zou kunnen denken dat een ‘gezinspartij’ als CD&V lessen trekt uit de menselijke drama’s die de commercialisering van de ouderenzorg met zich mee heeft gebracht. Niets van, zo blijkt. De deur wordt minstens op een kier gezet voor meer van hetzelfde in de kinderopvang.

Naar een asociale kinderopvang

VOKA gaat er prat op dat de ouders met een hoger beroepsinkomen in de bedrijfscrèches ‘van een lager tarief kunnen genieten’ dan in de inkomensgerelateerde kinderopvang. Op die manier zet VOKa een breed gedragen en solidair principe op de helling, namelijk dat je als ouder voor jouw kind een tarief betaalt naargelang jouw inkomen. De Vlaamse regering heeft dus eigenlijk beslist dat Vlaams belastinggeld gebruikt zal worden om voor een selecte groep van werknemers een lager tarief mogelijk te maken. De plaats voor de werknemer in de bedrijfscrèche kan voor VOKA trouwens ook een verloningselement zijn in een cafetariaplan. Het impliceert minder inkomsten voor de sociale zekerheid en ondermijnt de opbouw van sociale rechten door de betrokken werknemers.

De Vlaamse regering staat op het punt een publiek gefinancierd voorrecht te creëren voor bedrijven en enkele goedverdienende werknemers. Het leidt ons samen met de verscherping van de voorrangsregels voor werkenden (strikt gedefinieerd als degenen die 4/5 werken) naar één van de meest asociale kinderopvangmodellen in heel Europa. Tegenover deze politiek van het privilege dienen wij een alternatief in stelling te brengen. In een socialistische en sociaaldemocratische visie is het aan de overheid om een universeel kinderopvangaanbod te garanderen in de samenleving. Als een basisrecht voor elk kind. Een overheid kan daartoe zelf openbare kinderdagverblijven inrichten, zoals veel lokale besturen gelukkig doen, of realiseren via subsidiëring van non-profit vzw’s.

Ondermijning van de kinderopvang als openbare dienst

In het voorstel van VOKA worden lokale besturen gevraagd om mee te stappen in de co-financiering door gemeentelijke infrastructuur ter beschikking te stellen of de dagprijs van de ouders nog te verlagen door middel van een premie. Het zou neerkomen op een financiële aderlating voor de openbare kinderdagverblijven die het lokaal bestuur zelf beheert. Hiervoor bestaan precedenten. Het Antwerpse stadsbestuur besliste na een studie van consultancy bedrijf KPMG om 2 miljoen te besparen op de stedelijke kinderopvang en sloot zelfs een aantal stedelijke crèches. Parallel met deze afbouw ontvangt Babilou voor haar kinderdagverblijven in de sinjorenstad allerhande subsidies om haar winsten te financieren.

Bovendien zal de erosie van de middelen voor openbare kinderdagverblijven ook de sociale functie van de kinderopvang in het gedrang brengen. Er is in de meeste steden een sterke concentratie van het aanbod in wijken waar veel tweeverdieners met een hoger inkomen wonen. In steden die inzetten op openbare kinderdagverblijven is die ongelijkheid in het aanbod en het gebruik van kinderopvang echter veel kleiner. Een openbaar kinderdagverblijf is kortom een belangrijke hefboom voor een lokale bestuur om kinderopvangplaatsen te realiseren in kwetsbare wijken waar veel mensen met een lager inkomen leven. Dergelijke kinderdagverblijven zijn essentiële schakels in het streven naar een buurtgerichte zorg.

Too big to fail

Inzetten op bedrijfscrèches kan tot slot ook de continuïteit van de dienstverlening in het gedrang brengen. In de huidige krappe arbeidsmarkt is het duidelijk dat bedrijven werk willen maken van bedrijfscrèches om een concurrentievoordeel in de zogenaamde ‘war for talent’ te bekomen. Maar wat als de economische situatie zou wijzigen? Wat als de krapte op de arbeidsmarkt zou afnemen? Wat als het bedrijf in kwestie in slechte papieren komt? In al die situaties is het zeer denkbaar dat de financiering vanuit het bedrijf dan stopgezet zou worden. Met een verlies aan plaatsen tot gevolg, tenzij een (lokale) overheid alsnog in de bres springt om dit te voorkomen. Worden de bedrijfscrèches met potentieel 3.000 nieuwe plaatsen binnenkort ook “too big to fail”, zoals de banken in 2008?

VOKA presenteert zichzelf als de reddende engel wier leden met financiële injecties over de brug zullen komen om extra plaatsen te creëren, terwijl het als één van de centrale steunpilaren van het Vlaams neoliberalisme sinds decennia gangmaker is van de onderwaardering van alles wat met zorg en opvoeding te maken heeft. Het plan van de Vlaamse regering en VOKA is allesbehalve sociaal, laat staan democratisch. De planning en programmatie van de bijkomende plaatsen kan niet alleen gebeuren op basis van economische criteria. Ook de sociale en pedagogische functies van de kinderopvang zijn van groot belang. Ze mogen niet ondergeschikt gemaakt worden aan de economische functie, laat staan de winstlogica.

Lees ook:

Dossier kinderopvang: het pedagogisch belang van het kind zou uitgangspunt moeten zijn

Dossier kinderopvang: extra budget met blauwe adders onder het gras

VOKA, Vlaams netwerk van ondernemingen, is de belangenorganisatie van werkgevers in Vlaanderen en de koepel van de lokale Kamers van Koophandel.